Proefritje Schotland 2011


1 juni 2011 - Soest - IJmuiden

Waar begint een reis naar Schotland? Is dat thuis, waar je (schoon)moeder je onverwachts uitgeleide doet, begeleid door waterlanders? Het voelt wel vreemd, de eerste reis met het campertje echt op pad. Het is de laatste dag voor het lange Hemelvaartweekend, dus we hebben een uurtje extra reistijd ingeplanned. Echt briljant, en we zijn maar net op tijd in de haven - of eigenlijk tweeeneenhalf in plaats van anderhalf uur te vroeg. Maakt niet uit, zijn we ook eerder op de boot - dachten we. Uiteindelijk gaan we als een van de laatsten aan boord; maar dat bleek later weer voordelen te hebben. Het campertje wordt vastgesjord, en we moeten hem echt een nachtje alleen laten. Dat geeft ons wel weer de kans de boot de verkennen. Het is nog prachtig weer, dus nadat we de spullen in de hut gegooid hebben (hé, dat lijkt wel een vierpersoonshut, met uitzicht recht vooruit!) rennen we redelijk linea recta richting bovendekken, om een rustig plaatsje in de zon te bemachtigen. Aangezien we één van de laatsten aan boord waren is dat een redelijk kansloze missie, maar alles komt goed: vóór de ferry de trossen losgooit zitten wij aan zelf meegebrachte wijn en hapjes (jaja, we zijn Hollanders, deal with it) in de zon te genieten. Even na 20:00 hadden we een tafeltje gereserveerd in het á la carte restaurant, en ook dat was bijzonder goed te pruimen. Na het diner hebben we nog even de bar, bioscoop, casino en disco onveilig gemaakt (mwoehaa!), daarna zijn we braaf gaan slapen. Aangezien de hut echt schandalig ruim was, en we beiden een benedenbed konden pakken, hebben we allebei als blokken geslapen (Daniёle iets minder, Mischa was redelijk goed bij (snurk)stem…).

2-3 juni 2011 - Newcastle - Edinburgh

Je raadt het al: doordat we gisteravond als één van de laatsten aan boord gingen, stonden we vanochtend vooraan in de rij om er vanaf te rijden. Dus in plaats van rond 11:00 door de douane te rijden, was het nu 09:30 voordat we officieel Engels grondgebied onveilig mogen maken. Tomtom aangezet, en via alternatieve route naar de camping onder Edinburgh gecommandeerd. Onderweg nog even gestopt bij Rosslyn Chapel, een heel bijzonder kerkje vlak bij Edinburgh. Het is het meest uitbundig met steenhouwerij versierde kapelletje ter wereld, en is zoals alles op dit eiland stokoud. De symboliek draait je om de oren, en vooral vrijmetselaars voelen zich sterk verbonden met deze nooit afgebouwde kathedraal. Helaas is één van de mythen rondom deze kapel dat de Heilige Graal er begraven ligt, en dit is enthousiast beschreven en verfilmd in “The Da Vinci Code” van Dan Brown. Resultaat hiervan is dat het aantal bezoekers hemelwaarts is geschreden, en de organisatie dit slechts mokkend onderkent. Reken dus op een gezellige chaos, en veel te veel mensen om je heen. Hierna doorgereden naar de camping. Ja, een camping. We hadden besloten twee nachten bij Edinburgh te willen doorbrengen, zodat we de tussengelegen dag konden besteden in de stad. Toch wel apart, met het campertje tussen Adria’s, koepeltenten, en motorkampeerders. De Schotten blijken gelukkig begenadigd te zijn met een sterk opmerkingsvermogen: zo viel het meerdere passanten op dat dit een wel héél grote camper was, en men wilde zich er van vergewissen of dit feit ook bij ons bekend was. Dus stonden regelmatig kolonialen voor ons om dit aan ons mede te delen. Bijzonder vriendelijk volk! Onderweg overigens nogmaals staande gehouden door een inboorling, die dit kennelijk ook opgevallen was; tot op heden zijn we er echter nog niet wat wat deze goede man tegen ons zei, behalve dat het hard en onverstaanbaar was. Voor zij dit niet weten wat ik bedoel: tiep “Robin Williams on Golf” op Joetoep. De volgende dag zijn we met de dubbeldekkerbus de stad ingereden en hebben daar wat rondgewandeld en het kasteel (stevige klim) bezocht. En weer wat cultuur opgesnoven: waar wij het ‘patatje met’ kennen, is de Schotse variant ‘Patatje met - gesmolten kaas en vette jus’ - letterlijk een mond vol, maar ook meteen 2,500 kcal naar binnen gehesen. De verleiding was groot, maar is toch weerstaan. Tot nu… Voorlopig zijn de weergoden ons ook gunstig gezind: 25 graden en bijna blauwe lucht, dit nemen ze ons niet meer af.

4 juni - Edinburgh - Glen Nevis

Het avontuur begint! De stad uit, het platteland op! De wegen worden smaller en steiler, de uitzichten adembenemend. Allememaggies, wat heben die Schotten een mooi land. Hoewel voorbereid met ouderwetse wegenkaarten van de ANWB, en soms zelfs legale kaarten van Garmin (voor op de laptop), is Tomtom prima geschikt om te gebruiken. Na een prachtige rit slaan we bij Fort William rechtsaf, en vinden bij Achriabhach een fantastisch plekje in een Groot Dennenbosch; een doodlopend stukje, bijna volledig uit het zicht van de doorgaande weg. Hoewel de banden redelijk diep wegzakten hebben we het campertje redelijk horizontaal gekregen. Het was wel aan de frisse kant, dus binnen gekookt, kaartje gelegd en (e-)boekje gelezen. Helaas geen disco in de buurt, dus maar op tijd het mandje in. Was wel spannend, zeg maar, de eerste keer in het Grote Donkere Buitenste Buitenbos…

5 juni - Glen Nevis - Tarskavaig

Terug de Glen uitgereden, en door naar het pontje bij Mallaig om naar het Isle of Skye te gaan. Het grootste eiland van Groot-Britannie, waarover de meest intrigerende verhalen de ronde doen. Sagen, mythes en legendes tieren er welig, maar het belangrijkste: Talisker wordt hier gebakken! Na aankomst na een paar kilometer al van de doorgaande weg af. ‘Not Suitable for Caravans’ en ‘Single track road’ konden ons er niet van weerhouden: hier moesten wij in. Dat werd dus meteen spannend: de auto is 2.5 mtr breed, en de weg blijkt 2.6 mtr breed te zijn. Da’s dus redelijk weinig speling, helemaal als de laatste wegrenovatie net zo lang geleden lijkt als mijn geboorte. Ik dacht dat ze alleen in Afrika de gewoonte hadden om gaten in de weg te verbinden met willekeurig geplaatste stukjes afgekeurd asfalt, maar hier kunnen ze er ook wat van. Na een kilometer of wat (je ziet, tijd en afstand zeggen ons nu al niet meer zoveel) komen we aan bij een kiezelstrandje tussen Achnacloig en Tarskavaig. Na eerst een half uurtje op een mooi open stuk vol in de wind te hebben gestaan, de wagen een stukje verzet. Daniёle wilde wel eens zien wat er achterin gebeurt als je offroad rijdt - volgens mij was dat een éénmalige actie, en is die nieuwsgiergheid voor altijd gestild - het was nogal dynamisch achterin geloof ik. Maar we stonden wel 50 meter van het water, aan een verlaten strandje, uit de wind en in het zonnetje; wat wil je nog meer? Zeker weten dat het water niet al te veel dichterbij komt - maar het kwam niet dichterbij dan 5 meter van het campertje, dus dat kwam precies uit.

6 juni - Tarskavaig - The Braes

Vanochtend doorgereden richting beschaving. 20% hellingen op en af op de smalle weggetjes, over wildroosters, met af en toe een tegenligger of op de weg staand hert maakt voor een interessante ochtend. Maar even stoom afgeblazen bij Carbost, waar stomtoevallig ook de Talisker brouwerij staat! Na een machtig interessante rondleiding (en de verplichte ‘Wee Dram’) de weg weer vervolgd richting Dunvegan Castle, een ruineuze stapel oud steen welke in deze staat gehouden wordt middels het heffen van schandalige entreeprijzen. Cultuursnuivers van ons formaat vinden dan redelijk snel alternatieve doelen om onze munten achter te laten, en weg waren we. Uiteindelijk onder Portree de B883 opgereden (Single track road maakt ons niet meer bang) en een kilometer voor de weg doodloopt een heerlijk stukje parkeerplaats met magnifiek uitzicht over het eiland Raasay (wie kent het niet?) gevonden.

7 juni - The Braes - Dundonnell

Een lange rit vandaag, alleen geen idee hoeveel kilometer we gereden hebben. Maar we zijn van Skye af, en zijn verder naar het noorden gereden. Gelukkig wordt dat hier duidelijk aangegeven, op bewegwijzering staat letterlijk ‘The North’ - ik neem aan op de terugweg ook ‘The South’, maar dat zien we later wel. Wel bijzonder om te zien hoe vierbaanswegen hier naadloos overgaan in Single Track Roads, en er met regelmaat zogenaamde ‘passing places’ (verbreding van de weg om tegenliggers door te laten) zijn, waarbij de Schotten zich van hun Britse kant laten zien en ver van te voren al de kant in duiken als ons campertje opdoemt om het voorrecht te hebben ons voor te laten. Dat rijdt dus best lekker door hier, maar het is wel wennen dat het campertje niet gewoon met tachtig de bergen op dendert. Af en toe gaat het echt stapvoets, en blijkt heuvelaf met gelijk gebrek aan snelheid het comfortabelst. Na de nodige potentiele overnachtingsplekken te hebben afgeslagen, staan we ‘s avonds aan ‘Little Loch Broom’. Het campertje schudt indrukwekkend heen en weer, hopen dat het morgen wat minder waait…

8 juni - Dundonnell - Durness

Gisteravond toch nog maar even het campertje met de neus in de wind gezet, dat scheelde aanzienlijk in het schudden. Tussen ons en de zee ligt een vreemd landschap. Er meandert een riviertje door (daar hebben ze hier overigens redelijk veel van, dus da’s geen verassing), maar dat stroomt door op gras/mos/weilandachtige lijkend landschap, vol met rose bloemetjes, vrolijk fladderend gevogelte en driftig de regen negerende kolonialen die hoe dan ook vandaag willen wandelen. Rare jongens, die Britten. Vandaag het kompas weer op het Noorden gehouden (Tomtom, maar een kniesoor die daar op let), en gemikt op Durness. Waar we op Skye nog vol bravoure de smalle paden op reden, hier weten ze niet anders; de gemiddelde snelheid doet ons met regelmaat achterom kijken om te zien of fietsers geen last van ons hebben. Uiteindelijk komen we aan bij Durness. Aangezien we vuil water willen lozen en drinkwater willen tanken, is de makkelijkste oplossing hier de lokale camping. Op zich prima, niet al te duur, prima uitzicht en alles wat we nodig hebben, bovenaan een klif met uitzicht op - drie keer raden - de zee. Een losgeslagen kudde ANWB camper- en caravangangers had echter de zinnen gezet op hetzelfde stukje onroerend goed (compleet met fier wapperende ANWB-vlag), dus het duurde niet lang of we waren omsingeld door deze grijze mensenmassa. ‘s Avonds de bekendste attractie uit de gehele omgeving bezocht (de pub alias restaurant), waar Daniёle zich van haar stoere kant liet zien, en zonder blikken of blozen een vanochtend nog dartel in de wei rondhuppelend schapenpuppie naar binnen werkte.

9 juni - Durness - Wick

Wat een rit. We zijn er achter gekomen dat de meeste mensen van Durness naar John O’ Groats (of vice versa) rijden. De reden hiervoor blijkt snel gevonden: tussen deze twee uiterste punten van Schotland (de ene linksboven, de ander rechtsboven) is he-le-maal niets. Oké, niets is een beetje overdreven, want er waren veel bochten, veel stukken abominabel asfalt, maar ook ontelbaar veel mooie uitkijkjes, maar daar heb je het wel mee gehad. Tegen het eind kom je Thurso tegen, daar wonen zeveneneenhalfduizend Schotten. Volgens mij weet niemand waarom, zij zelf al helemaal niet. Vervolgens kan je naar John ‘O Groats, en meest noordelijke puntje van Schotland. Ware het niet dat dit helemaal niet waar is, en deze titel naar een paar kilometer terug gelegen stukje land, waar je de lokale vuurtoren van veraf kunt zien - en verder is er weer niets. Bij John ‘O Groats kan je een stukje doorrijden richting weer een andere vuurtoren, en daar een mooie wandeling langs de kliffen maken. Hier zie je veel vogels, waaronder de Arctische Skua (wie kent hem niet), Alken, Kittiwakes (meeuw), Jan-van-Gent (grote meeuw), en - voor ons - de leukste, de Papegaaiduiker. Ze nesten allemaal in deze tijd van het jaar met duizenden tegen de kliffen, en het is de moeite waard daar een wandeling aan te wagen. Breng wel een verrekijker mee, of een héle mannelijke telelens op je camera, anders loop je veel mis. Gezien de overnachtingsmogelijkheden in deze buurt, en het bruisende karakter van deze contreien, besluiten we door te rijden. We vinden een plekje zo’n 5 kilometer ten noordoosten van Wick, met aan de ene kant een vuurtoren en aan de andere kant een kasteelruine. Doodstil, moederziel alleen, wat wil een mens nog meer.

10 juni - Wick - Littleferry

Beetje saaie dag, maar dan bedoel ik het politiek beter uitgedrukt. Niet al te ver rijden richting Golspie. Onderweg nog even gestopt voor lunch aan de haven - van eigen makelijk wel te verstaan - in Helmsdale. Deze vlek op de kaart gaat prat op haar zalmbakkerijen. Helaas waren ten tijde van ons bezoek de zalmen ook met lunchpauze, en hebben we er geen gezien. Nog een stukje stroomopwaarts gereden, bij een stroomversnellingkje gezocht, maar geen vis te vinden. Het dorp zelf blinkte uit in haar overleden aard: alles leek er dood; geen winkel open, geen mens te zien. Maar besloten door te rijden richting Golspie. Onderweg langs de kust hebben we ons verbaasd over het feit dat er land aan de overkant zichtbaar was. Dan kon toch zeker geen Scandinavie zijn? Een tijdje later bleek het toch de grillige kustlijn van Schotland te zijn - stonden wij mooi voor paal - maar niemand die daar ooit achter komt. Vlak voor Golspie een mooi vlak stukje land vlak aan zee gezien. Wij eropaf, tussen wat landerijen en over wat boerderijen, komen we vlak voor het stukje grond voor een spoorwegtunneltje - van zo’n twee meter hoog. Daar past het campertje nét niet onderdoor, dus omdraaien maar. Golspie zelf bleek leuk, maar had geen plek die ons geschikt leek. Maar doorgereden richting Littleferry (wie kent het niet). Na een stief kwartiertje over veel te smalle weggetjes doorakkeren kwamen we inderdaad bij Littleferry Pier; wat een kansloze missie - er was net genoeg ruimte om het campertje te keren, en weg waren we. 100 op de terugweg zien we aan rechts een parkeerplaats zonder overnachtingsverbod, waar al twee klooioniale campers staan; we sluiten ons erbij aan. Meteen een stevige wandeling door de duinen en het strand gemaakt; je waant je bijna alleen op de wereld en komt vrijwel niemand tegen. ‘s Avonds nog een poging gedaan een maaltje met de hengel te vangen, maar die dwong ons richting vegetarische maaltijden aangezien er slechts zeewier gevangen werd. Zal wel aan het weer gelegen hebben.

11 juni - Littleferry - Fort Augustus

Vandaag gaat het gebeuren, we komen bij Loch Ness! Na een uur of anderhalf spookrijden komen we bij Dumnadrochit aan het meer. Meteen de lokale info tot ons genomen, en uiteindelijk geconcludeerd dat het heel knap is van die Schotten dat ze van zo’n uitgemolken sprookje nog steeds kunnen leven. Door gereden richting de onderkant van het meer; daar was volgens kenners een prima kampeerplekje op een parkeerplaats naast de kroeg aan het meer, wat kan een mens toch geluk hebben. Behalve als die plek niet blijkt te bestaan, en tomtom trots laat merken de bestemming bereikt te hebben - midden op een verlaten landweggetje. Maar een stukje doorgereden, en willekeurig afgeslagen. Uiteindelijk een zandweggetje de heuvel op, en even later staan we op een verlaten weide, volledige privacy, met een prachtig uitzicht over Fort Augustus en Loch Ness. ‘s Avonds nog even het dorp ingewandeld om in een door de Lonely Planet aanbevolgen lokale pub een hapje te doen, en dat was ook erg de moeite waard.

12 juni - Fort Augustus - Glen Nevis

Hé, dat klinkt bekend! Glen Nevis bleek anderhalf uur rijden van de vorige halte, en we wilden nog graag terug naar deze prachtige vallei. We konden het campertje weer op dezelfde plek - onzichtbaar verlaten in het bos - parkeren. De hele middag een stevige wandeling gemaakt, tot aan de twin falls, bij elkaar zo’n vier uur in touw geweest. Vrij letterlijk overigens, want vlak bij de twin falls was een touwbrug (1 touwtje om op te lopen, en twee om je aan vast te houden). Hier overheen heen- en teruggewandeld, en met veel vermaak gekeken hoe een Japanner niet meer terugdurfde, en zeker een uur aan het klooien is geweest om de rivieren over te steken. Natuurlijk natte voeten als resultaat, maar ook de overkant niet gehaald, zodat hij alsnog met bibberende knietjes de touwbrug opmoest.

13 juni - Glen Nevis - Lanark

Wat een dag. Het was de bedoeling het campertje te parkeren aan Loch Lomond, een mooi natuurgebied net boven Glasgow. Na twee uur rijden hier aangekomen wat rondgeneusd, en via de koloniale VVV erachter gekomen dat men wildkamperen ook hier zoveel mogelijk de kop wilt indrukken. Vorig jaar hebben wat filistijnen er een zooitje van gemaakt met wildkamperen, dus nu mag niemand het meer. Een tiepies geval van de goeien die onder de kwaaien lijden. We werden nog naar een camping een paar kilometer terug verwezen, maar die waren niet gediend van passanten, en eisten lidmaatschap alvorens je er een nachtje je overnachtingsbijdrage mocht achterlagen. Aangezien er al zoveel plekken zijn waar we ons geld kunnen wegbrengen zagen we in deze locatie onvoldoende redenen om dat hier ook te doen, en zijn we maar weer op pad gegaan. We besloten ten zuiden van Glasgow te gaan kijken, bij Lanark zou het mooi zijn. Dat betekende dus wel nog twee uur rijden, waarvan het grootste gedeelte op een ouderwetse snelweg. Dat was wel weer wennen, 80 hele kilometers per uur onder de bandjes laten afrollen lijkt ineens best wel veel en hard. Helemaal als het druk om je heen wordt; het is grappig om te realiseren wat je nu ineens drukte noemt - het was in ieder geval een stuk rustiger als de dagelijkse doordeweekse drukte tussen Soest en Schiphol, maar een stuk drukker dan we zouden willen. Bij Lanark aangekomen bleek daar weinig geregeld te zijn voor de reiziger met eigen hut op wielen, of dat nu een campertje, caravan of tent is. De enige camping binnen 30 mijl werd door de toeristenmisleider vna harte afgeraden, en eigenlijk had-ie nog gelijk ook. Zelden hebben we zo’n gribustent meegemaakt. Aan de andere kant, we konden hier tenminste staan (in de rest van de provincie was het allemaal behekt of anderszijds dichtgetimmerd), het gras was horizontaal en droog, en de rosé kwam ook hier koud uit de koelkast. Toch nog maar even besloten het campertje een doorsmeerbeurt te geven, want dan kon ik mannelijk met de overall aan onder de wagen struinen. Halverwege bleek dit geen onoverbodige luxe, want de linkeruitlaat had wel een heel bijzondere manier van rondbungelen gevonden - hetgeen hoogstwaarschijnlijk werd veroorzaakt doordat het laatste stuk uitlaatpijp middels slechts een stuk rubber aan het voertuig verbonden was, en de knalpot fysiek van de uitlaatpijp door vergevorderde roest gescheiden was. De rechteruitlaat kon dit natuurlijk niet verkroppen, en heeft besloten zelfstandig voor extra luchtafvoer te zorgen; helaas niet op de door de ontwerpers van Mercedes bedachte plaatsen, waardoor ook hier de nodige herstelwerkzaamheden noodzakelijk zullen zijn. Voor nu maar het bungelende stukje pijp eraf gehaald, en we zien later wel verder. Voorlopig merken we hier niets van. ‘s Avonds eens een goed gesprek gehad over de nog resterende vakantieperiode. We hadden de reis geplanned met mogelijkheden om - als het leuk leek en mooi weer was - een paar dagen hier en daar te blijven hangen. Aangezien we de nodige plaatsen hebben gevonden die erg leuk waren, maar geen eentje waar het toevallig ook lekker weer was, zaten we nu - maandag - aan het eind van de rit, terwijl de boot pas zaterdag voor ons klaarstaat. Daar hebben we maar een nachtje slapen voor uitgetrokken, morgen zien we wel verder.

14 juni - Lanark - Newcastle

Om 09:00 hebben we DFDS maar een belletje gegeven, en 5 minuten later was onze boeking omgezet: naar vanmiddag! We moesten dus nog wel even naar de andere kant van het eiland rijden, maar dat zou geen probleem zijn. Dus rustig ontbeten, opgeruimd, en weggereden. Halverwege nog Hadrian’s Wall bezichtigd. Dit was een beetje teleurstellend omdat deze muur veel lijkt op de duizend andere muren die het landschap hier typeren. Alleen deze is tweeduizend jaar oud, en is aangelegd door de Romeinse keizer Hadrianus om die ellendige Schotten uit het Romeinse Rijk te weren. Toch wel weer indrukwekkend, zo’n tweedehands stukje metselwerk. Gelunched bij de muur met een prachtig uitzicht over de heuvels, landerijen en bloemenvelden; honderd meter verderop stond een reetje (soort hert, niet een soort achterwerk) in het veld ook te genieten van haar lunch - erg rustgevend allemaal. Tegen drie uur waren we bij de terminal in Newcastle. De muts achter balie kon niet geloven dat we een camper waren, en had er een kwartier voor nodig voordat ze ons wilde toelaten, en dit slechts nadat ze erachter kwam dat we een wel erg volwassen bedrag voor de overtocht betaald hadden. Geen wonder dat het kolonialisme het niet gehaald heeft, wat een dom volk. Maar goed, uiteindelijk zaten we op de boot in de zon (!!!) aan de borrel.

15 juni - Newcastle - Soest

Spreekt voor zich. Stukje gegeten, stukje gevaren, stukje geslapen, stukje naar huis gereden, en toen was het voorbij.

Kuklusie: Het was een goeie proefrit. Alle dingen die we van het reizen bedacht hadden om tijdens deze rit ‘iets van te vinden’ hebben we kunnen aftikken. In het achterhoofd natuurlijk de wetenschap dat het toch anders is als je twee weken op vakantie gaat dan als je aan een echt grote reis begint. Maar het belangrijkste was het leven op, in en met deze camper. Aangezien de Schotse weergoden kennelijk ook op vakantie waren hebben we de binnenkant goed kunnen beleven. Alle systemen hebben we kunnen testen, maar ook het 24/7 op elkaars lip zitten hebben we zonder kleerscheuren overleefd. Natuurlijk zijn er de nodige dingen waar nog vragen over zijn of die we willen veranderen, maar daar hebben we weer een paar maanden de tijd voor voordat we aan de volgende proefrit beginnen. Maar als de medeweggebruikers net zo’n respect (of angst) voor ons hebben als de Schotten is dat geen probleem. We voelen ons na deze eerste ervaring in ieder geval gesterkt in onze keuze van voertuig: sterk, degelijk, onafhankelijk en relatief simpel. Kom maar op met dat avontuur!