Rusland 2012


Sinds we dit campertje hebben doen we de vakanties wat dichterbij huis. 'Dichterbij' moet je dan wel rekenen in afstand, niet in tijd. Waar we voorheen meestal met een uur of 12 vliegen wel in de buurt waren, duurt het nu aanzienlijk langer voordat we ter plaatse zijn. En dat is eigenlijk wel prima, we hoeven niet zo hoognodig 'ergens heen' ‐ de reis is de bestemming, niet zozeer het dorpje aan het eind van de weg. Al een paar jaar komt het er niet van om in Moskou en St. Petersburg te komen. Deze willen we bezoeken als begin van bijvoorbeeld een Transsiberische treinreis, of onderdeel van een autoreis naar Bejing. Dus hebben we nu maar besloten om er ons doel van te maken, het lijkt ons heel bijzonder om met je eigen auto Moskou in te rijden. Hieronder zie je de route:

Best gevaarlijk, zo'n weg voor je voordeur. Realiseer je je wel dat, als je thuis naar buiten stapt, die weg je zomaar naar de meest vreemde plaatsen kan brengen? Dat stukje asfalt voor de deur, in je eigen dorp of stad, staat rechtstreeks in verbinding met ‐ ja, met wat? Lezers van Tolkien ("Daarheen en Weer Terug") herkennen dit vast. Om te beginnen kan je, vrij onschuldig, een stukje gaan reizen. Dat stukje reizen bracht ons na een dagje rijden naar Quedlinburg, balancerend op de rand van de Duisterse Harz en bezocht door menige reiziger, nieuwsgierig naar haar eeuwenoude binnenstad. Huizen die reeds tweedehands waren toen Columbus nog aan zijn pubertijd moest beginnen, streekgerechten die culinair weinig toegevoegde waarde hebben anders dan het verpakken van een weekvoorraad caloriën op één bord. Pittoresk is het zeker... maar gevaarlijk? Hooguit voor je aderen. Je vervolgt de weg, en gaat verder richting de oude wereld. Niet zo oud als de Grieken of Romeinen, maar toch best wel dat je zegt oud. Weer een dagje rijden, en we staan een paar kilometer onder Praag.

Het wordt steeds gevaarlijker, want het is ruim 30 graden, en wie weet kunnen we zometeen laten weten dat we brandwonden hebben opgelopen. Die vlieger gaat niet op, we moeten het doen met een gezonde blos op de wangen. De stad wordt verkend, en weer zien we dat leeftijd hier in eeuwen wordt geteld. Het ene gebouw is nog mooier dan het andere, en je telt hier als gebouw pas mee als je al oud was tijdens de Rénaissance. We genieten van de zomer in de wetenschap dat thuis de winterkleding nog niet is verhuisd naar zolder, en genieten nog meer van de sterk vervroegde middagborrel. Het valt op dat het centrum van de oude stad Unesco Werelderfgoed‐waardig is; direct daarbuiten zijn de sporen van het communisme nog niet uitgewist: verval, grauwe mensen, en een algemene indruk dat men nog niet precies weet wat te doen met de nieuwe verworven vrijheden van het kapitalisme van de afgelopen twee decennia. De volgende dag blijkt het 15 graden afgekoeld, de weergoden hebben van zich laten horen. Goed mikken kunnen ze gelukkig niet, de meeste ellende is om ons heen gevallen, maar koud blijft het. Een dagje luieren, gevolgd door nog een dagje stad‐banjeren, en we zijn het er over eens: Praag is de moeite waard. We zijn een bierkroeg ingedoken ‐ in een oud gewelf ‐ waar je met oudheid om de oren geslagen wordt, en een klein biertje slechts een halve liter is. Het gevaar nadert. Op een steenworp van Praag (als je stenen 100 km ver kan werpen) ligt Kútna Hora. Bekend om een aantal religieus interessante gebouwen, werden wij aangetrokken door een paar minuten durend item in "The Long Way Round" (zie joetoep). Hier was volgens goed katholiek gebruik een knekelkerk gebouwd. 40,000 gerecyclede beminde gelovigen zijn hier professioneel gedemonteerd, door een visueel minder valide monnik gewassen, en met veel katholiek vertoon verbouwd tot interieurdecoratie. Zo zijn daar de knekelkroonluchter, het knekelwapenschild, en de decoratieve doch qua functie enigszins onduidelijke knekelwanddecoratie‐elementen. De knekelkandelaars van tenminste drie meter hoog mochten natuurlijk niet ontbreken.

Weer een dagje verder, en het lijkt wel of we een gevaarlijk lugubere hobby hebben. Niets is minder waar, maar we zijn gereden tot aan Oswiecim, in het Duits vertaald als Auswitz. Na het trotseren van de Oost‐Tsjechische snelwegen, en de Zuid‐Poolse (!) karrensporen hebben we ons een volle dag vergaapt aan het ziekelijk vernuft van de nazi's. Niets bereidt je hierop voor. Je kan de films gezien hebben, de boeken gelezen, en Westerbork bezocht hebben; dit overtreft alles. Niet alleen de schaal is schrikbarend, ook het persoonlijk leed en de zieke geest van het derde rijk maken dat je aan het eind van de dag redelijk gaar bent. Een bezoek waard, als is het maar om de mensheid erop te wijzen wat er gebeurt als dergelijke types losgelaten worden. We laten er wat analyses op los, en komen niet tot een conclusie. We hebben slechts een notie van hoe het leven toen was, en beseffen hoe weinig het leven toen waard was. Maar ook kan je dit doortrekken naar onze huidige maatschappij: wat als genoeg mensen de idioterie van extreem links‐ of rechtsen gaan geloven? Hoe veilig is de democratie dan, en leren we wel van onze geschiedenis?

Op deze vrolijke noot sluiten we de dag, en beloven de rest van de reis niet meer zulke diep/donkere gedachten te delen. De volgende dag zou ons leren wat een lange dag was. Na Oswiecim zijn we naar een zoutmijn geweest vlakbij Krakow. Machtig interessant, een mijn die net zo oud is als de meeste oude steden bovengronds. Ook leuk is om 380 treden van een houten trap af te dalen in een onzichtbare diepte. Je wordt rondgeleid door een Penglish‐speaking guide (Engels met precies dat snufje Pools accent dat elke vorm van herkenning een uitdaging maakt), die bijzonder trots is op de wapenfeiten van haar voorouders. Feit is dat Zuid‐Polen daar welvarend door is geworden, maar feit is ook dat het geen schitterende plaatjes oplevert van mooi uitgelichte rotsformaties. Leerzaam? Zeker. Mooi? Mwoh... Vervolgens nog een stukje gereden naar de Pools‐Oekraïnse grens. We kwamen daar wat later dan verwacht aan (rond half acht ’s avonds) maar dachten er met een uurtje wel doorheen te zijn. 8 uur later (!!!) hebben we 4 uur in de rij gestaan om in behandeling genomen te worden om Polen te verlaten. Hier kon ik praten als Brugman om de Poolse beambten ervan te overtuigen dat het in Nederland geen probleem is als het voertuig ruim een ton meer weegt als de maximaal toegestane massa, bovendien ging ik het land toch uit? Na een paar uur lukte dat nog ook! Daarmee mochten we Polen uit, maar moesten we Oekraïne nog in. Dit volk blijkt van de werkverschaffing. Ik kan zonder dollen niet meer navertellen hoeveel stempels, handtekeningen, verklaringen, en slappe verhalen ik heb moeten uitdelen of ophangen om uiteindelijk de stempels in onze paspoorten te krijgen. Ondertussen kwam de zon al weer bijna op... Als klap op de vuurpijl was daar de mededeling dat we te zwaar zijn en de weg niet op mogen (wij mogen het land wel in, alleen de camper niet), en we het maar uit moesten zoeken. Even later bleek dat er toch wel mogelijkheden waren, die zowaar niet eens persoonlijke sponsoring van de betrokken ambtenaar nodig hadden. Er werd een koloniaal met verschrikkelijk grote Brehznev‐pet tevoorschijn getoverd, die bovendien meer sterren op zijn epauletten rondtorsde dan een hele dure koelkast. Deze had de oplossing: we hoefden slechts telefonisch toestemming te krijgen van de minister van Infrastructuur! Los van het feit dat ik ondertussen weet dat deze functie nooit door een echt persoon uitgevoerd kan worden (de wegen waren op zijn zachtst gezegd nogal matigjes), leek het ons (Petmans en ik) niet verstandig deze minister om half vijf in de ochtend uit zijn bed te bellen. Dus bleef over het verzamelen van nog zeven stempels en vijf handtekeningen – maar we waren nu wel vrij!

Fris en fruitig reden we om vijf uur 's ochtends Oekraïne in. We waren zo fris omdat we best een zware klus hadden geklaard, meer dan een dag in touw waren, nog geen avondeten of ontbijt gehad hadden, en nog anderhalf uur moesten rijden naar L’viv; daar zetten we de camper neer in de tuin van een B&B. Bij aankomst bleek dat de verwarming van de camper weer in staking was gegaan, dus je begrijpt hoe vol energie wij zaten. Een goede nachtrust doet wonderen, dus 4 uur later doen we een voorzichtig ontbijtje, repareren we de verwarming (die bleek het verloren te hebben van de Oekraïnse Infrastructuur, te weten genadeloze bobbels en drempels op de weg), en maken we kennis met de B&B eigenaresse, Marion. Zij is vijftien jaar geleden haar liefde hier tegengekomen, en woont hier nog altijd. Bijzonder hartelijk en gastvrij, en maakt ons deelgenoot van een paar wetenswaardigheidjes die we de lezer dezes niet willen onthouden: Iemand in loondienst verdient ongeveer tweehonderd euro per maand. Hoewel allles hier vele malen goedkoper is dan in Nederland, is dat ook hier geen vetpot. Voor ons niet getreurd, ik heb voor twee euro een niet onaardige fles wodka buitgemaakt. Nog zo’n feestverhaal is Foebele, oftewel EK voetbal 2012. Marion wijst naar een verwilderd stuk bos achter haar huis, waar volgens de Fifa een weg loopt van de stad naar het nieuwe voetbalstadion. De Fifa heeft hier foto’s van gekregen, dus zij weten dat er een weg loopt die duizenden toeschouwers kan verwerken. Wij hebben dat bos gezien, en weten dat het hier een verkeerschaos wordt. Dat kan trouwens niet anders, want de wegen zijn hier aangelegd door Hitler. Geen gein, het meeste asfalt wat hier ligt stamt uit die tijd, en is door de Duisters aangelegd. En sindsdien is er alleen maar hier en daar wat bijgesmeerd, dus het zal je niet verbazen dat hier weinig Donkervoorts rondsnorren, en zelfs stoere Landcruisers met respect laveren tussen de gaten in de weg waar je met gemak een voetbalelftal in kunt verstoppen. Natuurlijk zijn er voor het EK de nodige maatregelen getroffen, maar mij benieuwen: vlak na de grensovergang hebben we over kilometers opgebroken weg gereden, 6 dagen voordag het toernooi begint. Dat sluit dan wel weer mooi aan bij de nieuwbouw‐hotels die we in de binnenstad gezien hebben die opgeleverd zullen worden vóór het begin van het EK – in 2016.

We rijden van L’viv naar Kiev, een stevig stuk van ruim 500 kilometer. Het landschap is fascinerend: grote velden met akkerbouwspul (graan, gerst, hop, wetenwijveel) en veel bossen. Hoe verder we naar het oosten geraken, hoe groter die bossen lijken. Een klein stukje voor Kiev krijgen we te maken met onvervalste Oekraïense gastvrijheid: we worden aangehouden omdat we geen tolvignet achter het raam hebben. Hoewel dit in principe strafbaar is, zijn de heren bereid om ons tegen regulier tarief een standaard‐tolvignet te verkopen, voor slechts dertig euro. De heren zitten overigens in een wegrottende Ford Scorpio uit 1990, hebben een op een uniform gelijkend pak aan, dat versierd is met teveel brandplekken van achteloos uitgemaakte peuken. Behalve naar oude tabak rook dit zaakje vreemd, en waren we hiervoor door Marion gewaarschuwd. Derhalve haar gebeld, de boel uitgelegd, de gsm in de handen van de ‘diender’ gedrukt, en drie minuten later werden we nors geboden op te rotten en ons weegs te vervolgen, zonder aanschaf van het vignet. Marion liet later weten dat het inderdaad nepperij was, en dat de heren schrokken van iemand die weerwoord had... Zo zie je, het loont zich om weerwoord te bieden, of iemand te kennen die dat vloeiend voor je kan doen. Dank Marion! Kiev wordt verkend vanuit Hotel Prolisok, een tiepies staaltje vergane Soviet‐glorie. Het camping‐gedeelte is een stuk bos waar ergens in de jaren vijftig een paadje is geasfalteerd, het drinkwater qua kleur lijkt op sterke thee (niet gebruiken dus), en we hebben flink wat blokken hout nodig om een beetje in de buurt van horizontaal te komen. Maar we staan midden in het bos, de vogeltjes fluiten, en de muggen zoemen dat het een lieve lust is. We pakken de taxi naar de stad, en proberen in de voetsporen van Floortje de stad te verkennen. Maar waar zij wordt opgevangen door Nederlandse expats, of een team alles heeft laten uitzoeken, moeten wij het met de Lying Planet doen; dus hier en daar was het één en ander gesloten. Maar een leuke stad is het zeker, en net als in L’viv kan ik niet wachten tot de eerste berichten van EK‐gangers terugfilteren naar Nederland. Pinautomaten die alleen passen vanachter het IJzeren Gordijn accepteren en kolonialen die echt geen woord over de grens spreken zijn nog maar het begin. We konden het overigens niet over ons hart verkrijgen om ‘Chicken Kiev’ in Kiev te bestellen. We hebben nog getwijfeld of we de Sola (écht, meneer, een lokale delicatesse!) zouden bestellen, want dat zag er echt heel lekker uit, maar dat bleek rauw varkensvet te zijn. Dus we hebben het gehouden bij Deruni (aardappelpannekoeken, in de rest van de wereld is dit gewoon rösti), Varenieky (ravioli, maar dan moeilijker te spellen) en Borscht (rooiebietensoep). Niet heel vies, maar kan verklaren waarom ze er hier allemaal zo chagrijnig bij lopen. We leven inmiddels 20 mei en vertrekken vanuit Kiev richting Rusland. Onderweg gebeurt het onmogelijke: we krijgen een bekeuring wegens het overschrijden van de maximumsnelheid! Net over een heuvel staat een vaal bordje vijftig, en voordat ik begonnen ben met remmen ben ik al professioneel gelaserd. 73 km/h waar je 50 mag... Waar dat in Nederland resulteert in zendtijd bij die kleine krullige etterbuil van Wegmisbruikers, een preek van Pastoor Koos Spee, en een schikking van een half maandsalaris van de officier van justitie, gaat het hier wat pragmatischer: Eén euro per kilometer, en niet zeuren om een bonnetje. Maar even later is het zover, we zien de Russische grens opdoemen! Helaas wel met een trieste, hele lange rij van 100 vrachtwagens. Navraag leert dat het minimaal 1 dag wachten tot aan de grens is. En aangezien ons campertje verdacht veel op een vrachtwagen lijkt, zit er niets anders op dan.... juist, de fiets te pakken en naar de voorkant van de rij te gaan. Enig babbelen met de heren in het hokje levert gelukkig het gewenste resultaat: voor 1 fles whiskey (de fles Teachers die ik van mijn ex‐collega’s gekregen heb, en speciaal voor dit doel achter de hand gehouden heb) plus 20 euro mogen we meteen naar de voorkant van de rij. Onze grijnzen zijn bijna zo groot dat onze mondhoeken aan de achterkant van het hoofd bij elkaar komen. En om het helemaal goed te maken waren de heren zó blij met de whiskey dat ze vergeten zijn om de euries te incasseren. De voor dit doel meegenomen Playboy bleek overigens niet gewild; kennelijk deze maand niet zulke goeie artikelen.

De rest van de grensovergang ging van een leien dakje, al zou je dat als West‐Europeaan niet zeggen. Maar na ontelbare stempels, formulieren, heen‐ en weer geloop, en opvallend behulpzame Russen stonden we na in totaal drie en een half uur aan de andere kant van de Russische grens! Misschien herinner je je nog hoe enthousiast we waren over het zelf rijden op het Afrikaanse continent, dit is voor ons echt nog een stapje verder. Aangezien de klok ook weer een uurje extra doorgezet wordt (er is nu 2 uur tijdsverschil met Nederland) is het al achter in de middag als we de grens overgaan, maar het blijkt dat we nog twee en een half uur moeten rijden voordat we een geschikte parkeerplaats vinden. Vlak bij Bryansk, aan de doorgaande weg, tussen een kudde lokale truckers. Weliswaar betaald, maar we doen voor deze keer niet moeilijk over die anderhalve euro. We besluiten op de valreep toch maar een hapje te gaan uit eten bij het naastgelegen motel, en hebben daar met handen en voeten, en Jacky’s Boxo‐plaatjesboek, duidelijk gemaakt wat we willen (eten, vlees of vis, pasta of piepers, en iets van groente, letterlijk zo, en nog snappen ze het niet), en uiteindelijk valt het kwartje: die mensen die in het restaurant aan tafel gaan zitten (wij dus) willen hier iets eten! Briljant... We krijgen een vrij recent gefrituurde en zojuist in de magnetron opgewarmde vismoot met tagliatelli (wat hier dan weer macaroni heet), en kunnen er nog van genieten ook. We slapen als rozen, ondanks dat de muggen ondertussen groter zijn dan Hollandse hommels. Weer een dagje rijden verder, en we bereiken zonder verdere bijzonderheden Moskou. De 'camping' is de parkeerplaats voor het Rushotel, een lege lap asfalt. We hebben de beschikking over water (nee dank u), stroom (neehee, dank u!) en geen internet (dat hadden we nu weer wél gewild). Daniële tovert een fles bubbels tevoorschijn, en we kijken elkaar enigszins verbouwereerd aan: Mockba!

’s Ochtends nemen we de Hotel‐shuttlebus. In de rest van de wereld brengt deze je naar het hartje van de stad, hier wordt je naar de metro gebracht. Een uurtje later stappen we uit in – hopelijk – het centrum. Korte tijd later lopen we inderdaad over het Rode plein, langs het Kremlin, door Warenhuis GOM (dat Galeries Lafayette, de Bijenkorf en Harrods bij elkaar doet verbleken), en staan oog in oog met de St. Basil Basiliek (een kathedraal die duidelijk is ontworpen door Walt‐Disney). We lopen twee dagen door de stad, en genieten met volle teugen. De verwachte norse Rus zijn we niet tegengekomen, maar we worden blij verrast door de vriendelijke welwillendheid en spontane hulpaanbiedingen. De straten zijn schoon en breed, de auto’s zwart, duur, groot en snel, de gebouwen een genot om te zien; het lijkt erop dat Moskou in de Tweede Wereldoorlog niet is gebombardeerd. Daartegenover staat echter de Kmunistiese bouwdrift, die vakkundig alle schoonheid uit haar gebouwen weert, waardoor de contrasten groot zijn. We lopen langs winkels van voormalig reisgenoot Roberto Cavalli, Ferrari, van Beers&Keers en nog meer extreem dure namen (Gukki en Hilvinger is hier voor sloeberski), en genieten op terrasjes van bier, wijn, en gerookte varkensoren. We vergapen ons aan de vijf kathedralen op het Kremlin, lachen om de idiote petten van de gezagsdragers en hun blousons ‐ wanneer hebben we voor het laatst Überhaupt blousons gezien? Hier kunnen ze niet zonder – en zitten uren mensen te kijken. De eerste avond laten we ons prettig verassen door een proeverij van Russische gerechten in een Armeens restaurant (logisch...?), de tweede avond zitten we op het terras van een Japanner te genieten van het eten en de flanerende kolonialen. Wat een wereldstad! De mensen zijn vriendelijk, de stad is mooi, je valt hier als Hollander niet op, en het eten is meestal herkenbaar –met soms een paar vreemde eenden in de bijt; vooral de Cyrillische menu’s doen je de das om. Moskou evenaart met gemak om het even welke andere wereldstad, en wint het van de meeste die wij gezien hebben.

Op naar St. Petersburg (Leningrad voor zij die in de koude oorlog zijn blijven steken). Dit ligt een slordige 800 kilometer van Moskou, en samen met de hectiek op de ring betekent dit dat we dit never nooit niet in één dag gaan redden. We staan ’s avonds dus ergens halverwege de route op een truckersparkeerplaats, we beginnen eraan te wennen... We hebben als een zonnetje geslapen en rijden om half negen de weg weer op; de ronkende en herriemakende vrachtwagens konden ons niet wakker houden. Natuurlijk wel eventjes Daniële gefeliciteerd, je wordt niet elke dag 42 lentes jong... Na drie uur rijden komen we langs Niznih Novgorod, een slaperig dorpje dat vroeger de hoofdstad van Rusland was. Nu herinneren daar nog een Kremlin met wat stokoude kerkjes en wat oude stadsmuren aan de vroegere glorie. We stappen binnen in een markt en wijzen daar op vaak goed geluk wat etenswaar aan; de ene keer heb je geluk en loop je weg met heerlijke kazen voor bij de borrel, en wat later heb je pech en voor 2 euro 1 miezerige chinese kool gekocht. Ondertussen stromen de gsm’s vol met felicitaties voor Daniële; familie, vrienden en collega’s weten ons allemaal te vinden, iedereen bedankt! Aan het eind van de middag bereiken we St. Petersburg, en rijden op het hotel af ‐ ook hier zijn weer geen campings en is de parkeerplaats van het hotel ook in gebruik als camping, in dit geval ook voorzien van stroom, water, en toilet/washok (wat we allemaal niet nodig hebben), en betaal je campingtarieven om daar te mogen staan. We laten ons eerst nog even afschrikken door de verkeersborden die duidelijk aangeven dat vrachtwagens hier niets te zoeken hebben. Maar we passen ons aan, en doen gelijk de Russen: kak aan de regels en doorrijden met die bak. Geen haan die daar naar kraait, en even later vinden we het hotel. Niet aan een straat, maar een binnenplein tussen de flats – en hier komen we medereizigers tegen. Sinds Polen hebben we geen camper of caravan meer gezien, en hier staat er van elk ééntje! Een caravan van Pekko uit Finland, een guitige 60’er die helemaal vochtig wordt bij het zien van ons campertje, en 2 vriendelijke Zeeuwen (Izaak en Elisabeth) in een mooie zelfgemaakte camper. Het duurt niet al te lang of we zitten met z’n allen gezellig ervaringen uit te wisselen... ’s Avonds wordt er nog even met Pa & Ma geskyped, we hebben hier dankzij de grote Wifi‐antenne ftasties bereik! Morgen gaan we het dorp in (St. Petersdorp...), ons benieuwen hoe dat gaan bevallen. Ondertussen is de Wodka op, dus als eerste morgen voorraad aanvullen... St. Petersburg wordt vaak vergeleken met Venetië en Parijs. De eerste vanwege de vele kanalen, de tweede vanwege de algemene sfeer en bouwstijl. Om het met Venetië te vergelijken vindt ik een beetje ver gaan. Vergelijk het in dat opzicht dan met Amsterdam, dat is meestal ook grauw en regenachtig, en heeft ook een paar kanalen waar rondvaartboten tot in den treure gebruikt worden om toerisen geld afhandig te maken. Venetië is van een hele andere categorie, maar het lukt me waarschijnlijk nu niet meer om dit te veranderen. De vergelijking met Parijs gaat wel op, vooral de pracht en praal van de gebouwen en de brede boulevards geven een duidelijk Franse indruk. Helaas zijn terrasjes en bistro's niet altijd even makkelijk te vinden dus gaat die vergelijking niet helemaal op.

Het weer zit overigens behoorlijk mee; sinds L'viv hebben we het droog gehouden, en in St. Petersburg alleen de eerste ochtend een paar spatjes regen gehad. Op zich geen probleem, dan duik je gewoon de Hermitage in. Geen idee hoe ik dat moet beschrijven, dus laten we het houden bij 'interessant'. Echt waar, je moet er maar eens zelf heengaan. Als je niet van grensellende en visa's houdt, kan je vanuit Helsinki met de boot visa‐vrije bezoeken aan St. Petersburg regelen, waarbij je 72 uur visumvrij in Rusland mag verblijven. We hebben Rusland bijna verlaten, tijd voor een terugblik. En dat zijn er een paar: ‘Hoe zijn Russen?’ valt niet te generaliseren. Daarvoor is het land te groot, en de mensen te divers. Eén ding valt op – de grootsmoelige capsonesrus die elders in de wereld beruchtheid verwerft hebben wij hier niet gezien. Overal hebben we hartelijke mensen gezien die ongevraagd hulp aanbieden, maar meestal niet voldoende Engels, Frans, Duits of Nederlands spreken en dan noodgedwongen afhaken. Wat opvalt is dat de meeste mannen zich niet druk maken om hun uiterlijk. Ongeschoren, ouwe spijkerbroek en verschoten t‐shirt en gaan met die banaan. Als ze nog onder de veertig zijn naast een vrouw die er meestal op en top verzorgd uitziet; rokje, en voor een kapitaal aan porumsmurrie (makeup). Als de vrouwen over de veertig zijn kan je ze meestal niet meer uit elkaar houden, ze lijken allemaal op echte, onvervalste moekes. Bloemetjesjurk, sensible shoes, en een chagrijnige blik die melk acuut doet stremmen. En de verdwaalde man die toch zijn best doet er goed gekleed bij te lopen is gedoemd te zich te kleden in glimmende pakken die bij ons al niet meer populair waren toen Duran‐Duran dat wel was. Nog iets: hier loopt vaak de Snolski Russki over straat. Dit is de eerdergenoemde verzorgde vrouw, maar dan op 15 cm hoge stiletto‐hakken... Het verkeer is ook zoiets. Regels bestaan alleen als de pliese toekijkt, en asfalt snappen ze echt helemaal niet. Op de belangrijkste verkeersader tussen Moskou en St. Petersburg rij je het ene moment over kilometerslang superglad asfalt, maar realiseer je je even later dat de Lada voor je door een gat in het asfalt opgeslokt wordt, en even later aan de andere kant van dat gat er weer onceremonieel uitgespuugd wordt. (ik zei toch dat ik onmogelijke zinnen ging gebruiken?) Inhalen doe je daar waar ruimte is, en de vluchtstrook is ruimte. Ondanks alles is het opvallend hoe beheerst het er aan toe gaat. Klaxons hoor je nauwelijks, voetgangers krijgen ongevraagd voorrang, en niemand doet moeilijk over iemand er tussenlaten. In Moskou viel het op dat er meer hele dikke Mercedessen (vanaf S500) rondrijden dan dan VW‐Golfjes. Er zijn slechts twee uitdagingen: de verkeersborden vertonen slechts sporadisch Westers schrift, en de politie duikelt als een duveltje uit het doosje op de meest onverwachte momenten tevoorschijn. Gelukkig spreekt die meestal net zo goed over de grens als wij Russisch, en worden we meestal uit pure wederzijdse onbegrijpelijke wanhoop maar weggestuurd.

Moskou en St. Petersburg waren ‘bijzondere’ steden... Het zijn beide gewoon mooie oude steden, maar Moskou heeft iets ongrijpbaars. De Koude Oorlog speelt daar een belangrijke rol in, maar ook het feit dat de boel niet is platgegooid tijdens de Tweede Wereldoorlog. Beide steden zijn ongelofelijk ruim opgezet, de straten en boulevards zijn met gemak twee keer zo breed als bij ons, en hier geen gaten in het asfalt. Overal rijden waterwagens de straten schoon te spuiten, elke straat meerdere malen per dag. Je ziet nergens rotzooi op straat, of kauwgumvlekken, of dat men Überhaupt iets achteloos op straat gooit. Voor elke taak is ook veel personeel aanwezig: in de metro zijn mensen die als taak hebben om de roltrap in de gaten te houden, in de musea zit in elke zaal een dame Zaalwacht te spelen, en op elke straathoek staat een plukje pliese‐smerissen de boel in de smiezen te houden – daarin zie je dan weer het oude communisme terug. Maar geen moment dat je je onveilig voelt, of niet op je plek. Dat is ook wel even wennen, we zijn nu toerist maar zijn op een afstand niet als dusdanig herkenbaar. We lopen niet in Azië of Afrika waar Mischa met zijn lengte, blauwe ogen en blond (grijsblond) haar opvalt als een gloeilamp in een donkere kamer. Bovendien zijn er erg veel Russische toeristen in eigen land, dus in de grote steden loopt iedereen met een camera voor zijn giechel wazig om zich heen te staren, en wordt alles en iedereen ongevraagd gefotografeerd. Dus je hebt het gevoel in de menigte op te gaan, en kan zonder probleem overal naar binnen, en da’s ook wel een keer prettig.

Hoe vat je dat samen? Een mooi land, met vriendelijke mensen die hun best doen om je te begrijpen, met een rijke geschiedenis, een keuken die verassend kan zijn (de enige keer pakt dat goed uit, de andere keer...) en nét een tikkie anders dan dat je gewend bent. Je moet er wat moeite voor doen, open staan voor het onverwachte, en je niet gek laten maken door vooringenomen vooroordelen. En dat dekt het kleine gebiedje wat wij gezien hebben, een fractie van dit onmetelijk en onbegrijpelijk grote land. Oja, grensprocedures kunnen ze ook wat van. Het duurde vijf uur om Rusland uit te komen. Vervolgens duurde het 8 minuten om door de Finse douane te komen.... Oftewel, we zijn aangekomen in Finland, staan in Helsinki, en het giet van de lucht. We hadden het heldere idee opgevat om hier een paar dagen te blijven hangen, maar nattigheid uit de hemel heeft weinig bekorends. Direct na aankomst een ferry naar Stockholm geboekt, morgenmiddag zitten we öp de böt... Weersvoorspellingen zijn overal even nauwkeurig; we worden wakker met een stralend zonnetje. We leveren Helsinki een bliksembezoek: het campertje wordt geparkeerd bij de scheepsterminal, we ontvouwen de fietsen en verkennen de stad. Alweer leuk, mooi en alleszins de moeite, jammer dat we onszelf zo weinig tijd gegund hebben. We schrikken ons het apezuur bij het afrekenen van de borrels, en weten nu zeker dat we in Scandinavië zijn. Tegen het eind van de middag rollen we de boot op, formaat cruiseschip, en genieten voorzichtig van de middagzon, de zelfmeegenomen borrel (op en top Hollanders) en proberen een plekje op het dek te vinden waar we niet uit ons figuur waaien.

De volgende ochtend rijden we van de boot af, en staan we bijna meteen in hartje Stockholm. We parkeren aan een kade met uitzicht op de oude stad, naast parmantig flanerende kolonialen. Het maakt ze niet uit dat het 15 graden is, op de kalender is het eind mei en dan dien je zomers gekleed over straat te gaan. Het fietsen in Helsinki was zó goed bevallen dat we dat nog maar eens dunnetjes overgedaan hebben, en ook deze keer was het weer genieten. Stockholm heeft bovendien een natuurreservaat midden in de stad, dus je fietst ineens in het bos; niet een variant van het Amsterdamse Bos, maar gewoon een echt oud en groot bos. Op vijf minuten fietsen van de binnenstad hoor je alleen nog maar de vogeltjes fluiten, heerlijk! Voor de meeste lezers is het voldoende te vermelden dat we een stukje stad gezien hebben. Het is echter goed mogelijk dat men wat meer detail wilt weten. Dus voor zij die dit graag willen weten: we hebben geparkeerd op Strandvagen, en genoten van de bossen van Djurgarden. We hebben tussen de toeristen gebanjerd op Gamla Stan en lunch was een leuk tentje ‐ Bürgarking; diner in het hippe Strandbryggan (goeie oesters, heerlijke tonijn).

Hoewel de afgelopen dagen het weer best lekker zonnig was, is de temperatuur aan de lage kant. ’s Avonds koelt het snel af, en na zonsondergang buiten zitten is niet te doen zonder extra verwarming. We besluiten weer door te rijden, en te zien of het verder zuidelijk wat warmer is. Ook wordt het tijd voor wat minder huizen en mensen om ons heen, dus we gaan een beetje op zoek naar de rust. Aan het begin van de middag staan we aan het water (zout, dus er zal wel ergens zee in de buurt zijn), en kan Mischa met zijn hengel gaan spelen. Gelukkig hebben we vanochtend bboodschappen gedaan, want als we hadden moeten eten van de visvangst hadden we alleen maar zeewier gegeten. Het weer zit ook de dag daarna niet echt mee (zeg maar kötweer), dus we besluiten ons geluk verderop te beproeven. Vlak na vertrek besluiten we Tomtom te negeren, en we nemen een afslag de bossen in. Volgens Garmin moet dit ons uiteindelijk terugleiden naar de bewoonde wereld, maar Tomtom gaat uit haar plaat en maant ons streng om rechtsomkeert te maken. We zijn in en een dolle bui, en rijden vrolijk door. Nog geen tweehonderd meter verder en het asfalt houdt op, en zien veel herten die ons eerst verontwaardigd aankijken voor het verstoren van hun ontbijt, en daarna dartel de bossen in stuiteren. Dit is het Zweden van de vakantiefolders. We rijden door dorpjes van 3 huizen en door weilanden en velden met kleurrijk spul waaruit blijkt dat we toch echt stadsvolk zijn ‐ we hebben geen idee wat er allemaal groeit en bloeit in deze velden. We genieten ons suf van de rust en schoonheid, en kijken elkaar even aan met een blik van: 'ja, daar deden we het voor'. Ik hoop dat die Zweden weten in wat voor verschrikkelijk mooi land ze wonen, wij zijn in ieder geval verkocht. Nou ja, we vinden het beswel mooi. Natuurlijk hebben we de afgelopen dagen lopen mijmeren over het aanschaffen van een stukje Zweden met wat primitief onroerend goed erop, en dat te verhuren aan nietsvermoedende vakantiegangers. Maar ja, dan moet je wel wat hogere temperaturen rond deze tijd van het jaar aanbieden, dus wat dat betreft valt Zweden af... Enniewee, uiteindelijk komen we weer terug uit dromenland en rijden weer het asfalt op. We vinden een heerlijk plekje aan de haven van een uitgestorven dorpje, en hier regent het niet. Hoewel we de volgende dag wakker worden onder een strakblauwe hemel, is de temperatuur helaas zodanig dat we een uurtje na het wakker worden weer op de weg zijn, en andermaal ons geluk een stukje zuidelijker gaan beproeven. Aan het begin van de middag vinden we een bril‐jant (! ‐ met uitroepteken) plekje in Tosteberga. bekend bij Tomtom, maar niet bij Garmin (gek, meestal is het andersom). We staan bij een jachthaventje op een grasveld direct aan zee. Het dorpje is niet meer dan een paar verlaten huisjes ‐ natuurlijk in ossenbloedrood geschilderd ‐ en wat zielig ogende piepkleine vissersbootjes. Ook deze plek is weer een plaatje; uitgestorven, vreemdgekleurde ganzen in de lucht, hondsbrutale mussen die willen meelunchen, en windkracht half negen in de nek... Een verdwaald regenbuitje probeert ons nog weg te jagen, maar geeft al snel de hoop op. Terecht, wij gaan hier vandaag zeker niet meer weg. Maar de aanhouder wint ‐ in dit geval wind ‐ dus veel langer dan één dag gaan we het niet volhouden. Maar dat wordt een heerlijke nacht. Hoewel langzamerhand steeds meer witte campers een stukje verlaten Zweden met ons willen delen, meer dan tien worden het niet, en druk al helemaal niet. De wind fluit spookachtig en vooral keihard door de tuigage van de zeilbootjes in de haven (en al even vrolijk onder het campertje), maar de regen heeft zich voorlopig gewonnen gegeven. De lucht is strakblauw, en de echte Zweed weet wat‐ie dan moet doen: Koeiesgroeie! (Barbecue'en in normaal Nederlands). Maar alle gekheid op een (saté)stokje, ze zijn hier volgens ons niet helemaal lekker bij hun paasei. 13 graden is al niet tropisch warm, maar om met deze storm met hele kuddes Zweden in korte broek aan de BBQ te gaan gaat onze pet royaal te boven. Overal om ons heen worden Webers tevoorschijn getoverd, en de grote vuurput in het midden van de haven draait overuren! Wij zitten uit de wind, in de camper, genietend van het uitzicht, en verklaren de buitenkokers officieel als Rare Jongens... Nog zo eentje: waarom zijn de Zweden zo bescheiden? Ik denk dat je best trots mag zijn op je eigen bedrijf, en om dan te adverteren langs de weg met Köttbutik (fonetische uitspraak mag je zelf uitvogelen) vind ik best wel ver gaan...

We zitten inmiddels zo'n duizend kilometer van huis, een klein stukkie dus. We stoppen even bij de ouders van Cecilia, en genieten daar van hun hartelijke gastvrijheid. Pa's Engels is sinds de laatste keer flink vooruitgegaan, dus dat praat een stuk makkelijker. Ma heeft het zo naar haar zin dat ze ons regelmatig in het Zweeds toespreekt, maar we begrijpen wat ze bedoelt. Eigenlijk lijkt Zweeds best op Nederlands. Na de lunch stiefelen we nog een paar uurtjes door, en parkeren de laatste nacht op een parkeerplaats in een dorpje dat bijna uitsluitend uit vakantiewoningen bestaat, aan de Deense kust met uitzicht op één of andere hele lange brug. Het dorpje heeft een redelijk hoog Loosdrecht‐gehalte (opgewaardeerde stacaravans); we staan uit de wind en worden geïnteresseerd aangestaard door de lokale bevolking (zowel Deense tweevoeters als Deense Stierkoeibeesten met heule gröte bållën, in het veld 2 meter achter ons campertje). Volgens Tomtom 10 uur rijden tot huis, en da's te kort om 2 dagen over te doen als je de stal ruikt. De laatste dag dus bijtijds op en gaan met die kempert! Uiteindelijk blijkt het inderdaad 10 uur rijden, het weer is zo Hollands dat er geen reden is ergens te blijven hangen of om een toeristische route te nemen, en aan het begin van de avond parkeren we het campertje bij huis. Thuis pakken we de boel uit, draait de wasmachine overuren, en zijn we weer blij bij familie en vrienden te zijn. En praten we er natuurlijk nog veel over na. Natuurlijk is er veel gebeurd, en hebben we veel nieuwe herinneringen. De veelzijdigheid van het landschap en de grootsheid daarvan in Oekraïne, Rusland en Zweden. De mensen die je onderweg spreekt, waarbij vooroordelen flink onderuit gehaald zijn. Het gebrek aan medetoeristen ‐ we hebben tussen Polen en St. Petersburg geen toerist gezien anders die op eigen gelegenheid op pad was. Aan de ene kant logisch, maar aan de andere kant ook wel een beetje jammer (niet voor ons, maar voor de medereizigers) ‐ hoewel het wel wat voeten in de aarde heeft qua regelen en geduld is het allemaal echt de moeite waard. Maar ook hoe we genoten hebben van het campertje. Je hoeft je nooit af te vragen of er 's avonds wel een bed beschikbaar is, en je weet dat je in je eigen heerlijke bed slaapt. Al met al was het een wereldreis, en zullen we de komende dagen weer flink moeten wennen aan het normale leven...